Hoe een verruimde sluitingstijd een popstad maakte
2 oktober 1978. In de redactiekamer van het Nieuwsblad van het Noorden buigt poprecensent Syp Wynia zich over een nieuw stuk. Een paar maanden eerder, in januari, had hij al geschreven over een miniconcert in Simplon, waar een handvol jonge Groningse bandjes zich van hun beste kant liet zien. Nu, in het najaar, ziet hij hetzelfde patroon terugkeren — en heviger. Streetbeats, Subway, Phoney & the Hardcore, de nachtclubs die uitpuilen van livemuziek, en middenin dat alles een rusteloze, tandeloze pianist die de stad de laatste jaren stelselmatig heeft platgespeeld: Herman Brood. Wynia typt een kop boven zijn artikel: "Opnieuw rock-springtij in Groninger Simplon." Hij heeft geen idee dat hij zojuist een naam heeft gegeven aan iets dat groter is dan één avond in één zaal — hij heeft het "Groninger Springtij" gedoopt, en de term zal blijven hangen.
De regel die alles op gang bracht
Wat Wynia beschreef, was geen toeval. Groningen kende in die jaren een eigenaardige, aan de horeca opgelegde spelregel: een kroeg mocht pas fors later dicht dan gebruikelijk, mits er live muziek werd gespeeld. Het was een bureaucratisch detail met een enorm neveneffect. Nachtzaken als De Koffer, Talk of the Town, De Kattebak, Speak Easy, De Troubadour en Churchill's Club — aangevuld met grotere podia als Het Pakhuis en De Bronx — werden vrijwel gedwongen om iedere avond een bandje op de bühne te zetten. Voor een muzikant in Groningen betekende dat iets ongehoords: je kon, als je wilde, bijna elke avond van de week ergens spelen. Wie geen instrument bezat, kon bovendien terecht bij de non-profit Popsesjun Studio om ervaring op te doen. De stad werd, zonder dat iemand het zo had gepland, één grote oefenruimte met betaald publiek.
De jongen die de kroegen leegspeelde
In die kroegencultuur groeide één figuur uit tot de aanjager van alles: Herman Brood. Geboren in Zwolle, opgegroeid grotendeels in Amsterdam, maar het was in Groningen waar hij zijn naam vestigde. Avond aan avond speelde hij de lokale zaaltjes plat, tot het punt dat manager Koos van Dijk besloot dat het tijd was voor iets groters. In de zomer van 1977 zat Huize Maas — "het Paradiso van het Noorden," zoals Van Dijk het noemde — met zevenhonderd man afgeladen vol voor de release van Broods debuutplaat Street met zijn kersverse band Wild Romance. Er was alleen één probleem: Brood zelf was spoorloos. Van Dijk belde de bekende kroegen af, tot hij uiteindelijk bij het politiebureau uitkwam — waar Brood bleek te zitten, opgepakt wegens het jatten van een stapel platen. Het is het soort anekdote dat de mythe voedt, maar de feiten erachter zijn goed gedocumenteerd: twee jaar later, in 1979, stond Brood met Saturday Night zelfs in de Amerikaanse Billboard Hot 100 — de eerste Nederlander die dat lukte.
De bloei na de aanjager
Broods succes werkte als een magneet. Platenmaatschappijen en landelijke media begonnen naar Groningen te kijken, en een hele generatie bands profiteerde mee: White Honey, New Adventures, Jan Rot & the Streetbeats, Phoney & the Hardcore, The Meteors, AA & The Doctors en Subway kregen platencontracten, landelijke optredens en recensies. White Honey — opgericht in 1978, alweer uiteengevallen in 1980 — liet in die korte tijdspanne het album Some Kind of Woman na, een plaat die tot op de dag van vandaag als hoogtepunt van de periode geldt. Niet iedereen was overigens even overtuigd van Broods rol als grondlegger: latere commentatoren wezen erop dat bands als Subway en de Rocking Tigers al ouder waren dan Wild Romance, en dat Brood — bepaald geen teamspeler — er weinig moeite mee had om andere bandjes hun muzikanten afhandig te maken. Het Springtij was dus minder één-op-één het levenswerk van één man dan de legende soms suggereert, en meer een samenloop van een gulle sluitingstijdregeling, een cluster ambitieuze bandjes, en een uitzonderlijk mediagenieke katalysator.
Eb, en een late vloed van herinnering
Tegen het midden van de jaren tachtig ebde het Springtij weer weg — het Poparchief Groningen dateert de bloeiperiode op 1978-1984. Bandjes vielen uiteen, muzikanten verhuisden, de kroegenregel verdween uit het straatbeeld van de herinnering. Maar de naam bleef hangen, precies zoals Wynia in 1978 al voorzag. In 1992 verscheen de verzamel-cd Back to the Seventies — Het Groninger Springtij, met opnames uit onder meer Huize Maas en het latere Popburo, als een eerste poging om het geluid van die jaren vast te leggen voor wie er niet bij was geweest.
Ruim dertig jaar na Wynia's artikel, op 16 januari 2016, stond een deel van die geschiedenis weer op het podium — niet in een rokerige kroeg, maar in de grote zaal van MartiniPlaza. Onder de noemer "Sterren in MartiniPlaza" speelden Social Security, I Spy, AA and the Doctors en New Adventures voor elfhonderd bezoekers hun oude nummers, decennia nadat ze voor het laatst samen op een Gronings podium hadden gestaan. Het hoogtepunt van de avond, zo werd algemeen erkend, was het optreden van White Honey — de band die maar twee jaar had bestaan, maar die in die twee jaar had vastgelegd waarom het Groninger Springtij, ondanks zijn korte duur, een naam heeft gekregen die is blijven bestaan.
Bronnen
- Syp Wynia, "Opnieuw rock-springtij in Groninger Simplon", Nieuwsblad van het Noorden, 2 oktober 1978, p. 6 (via dekrantvantoen.nl)
- Syp Wynia, "Hoe Groningen Nederlands belangrijkste popstad werd", Nieuwsblad van het Noorden, 16 februari 1979, p. 35
- Wierd Duk, "Terugblik op Groninger Springtij", Nieuwsblad van het Noorden, 6 maart 1992, p. 25
- Poparchief Groningen (Groninger Archieven), lemma "Groninger Springtij" — poparchiefgroningen.nl/overig/het-groninger-springtij
- darch media, "De Groningse jaren van Herman Brood: de basis, de doorbraak, de hoogtijdagen" (deel 14), darchmedia.nl
- Godfried Nevels, "Groninger Springtij", verslag van "Sterren in MartiniPlaza", 16 januari 2016 — godfriednevels.nl
- Discogs, Back to the Seventies — Groninger Springtij 92, compilatie-cd, 1992
